Te veel of juist passend?

Het thema intensiteit blijft mij intrigeren. Voor het recente Festival van Talent in Eindhoven had ik een presentatie gemaakt met als titel: “Plezier van je extra intensiteit”.
Bij de voorbereiding werd mijn aandacht weer getrokken door de oorspronkelijke term voor wat in het Engels ‘overexcitability’ is gaan heten. Het door Dabrowski gebruikte Poolse woord ‘nadpobudliwość’ zou je eigenlijk als super- of hyperstimuleerbaarheid moeten vertalen. Het is een diagnostische term in de context van stimulus-respons onderzoek van een zenuwstelsel: er is maar weinig stimulus nodig voor veel respons en de respons blijft langdurig bestaan.

Hoezo te veel?

Mellow out omslagWaarom koos de vertaler er destijds voor om iets wat heel veel aanduidt, te vertalen met TE veel (Chambers: over- is: excessively, to an unwanted degree)?
Dat doet sterk denken aan opmerkingen in de sfeer van de tien verwijten (zie webpagina). “Die mensen zijn ook altijd zo gevoelig over niks.”
Michael Piechowski erkent in zijn boek “Mellow Out,” They Say. If I Only Could dat de term ongelukkig is, maar te zeer ingeburgerd om te veranderen.
Hij stelt voor om, indien gewenst, heightened excitability and aliveness te gebruiken.

Bent u soms overprikkelbaar?

In het Nederlands krijg je er nog een vertaalprobleem bij: Daar kom je bij letterlijke vertaling van die Engelse keuze op de term overprikkelbaarheid uit. Prikkelbaar heeft als tweede betekenis: snel ontstemd, lichtgeraakt. En dan nog OVER- ook… Geen kwaliteit om op je CV te zetten, eerder iets om weg te stoppen of je zorgen over te maken. Stom genoeg heeft ontkennen of afknijpen door de aard van de eigenschap juist een averechts effect op je persoonlijke effectiviteit, waarover straks.
Om dergelijke redenen heb ik zelf destijds voor de aanduiding extra ontvankelijkheid (afgekort Xo) gekozen, als een van de facetten van de Xidentiteit.

Ik kan mij moeiteloos voorstellen dat een psychiater, of een andere professional in de geestelijke gezondheidszorg vooral mensen in de praktijk krijgt waarbij zo’n superstimuleerbaarheid tot persoonlijke problemen en grote geestelijke nood heeft geleid. Voor hen is het praktisch om zo’n term als overprikkelbaarheid te gebruiken: de aangeboren fysieke bouw is de (potentiële) oorzaak van het probleem.

Hoe is het om jou te zijn?

Maar wat als je vanuit persoonlijke herkenning wilt begrijpen èn hanteren dat je eigen zenuwstelsel (inclusief hersens) op allerlei informatie en ervaringen kennelijk sterker, complexer en langduriger reageert dan bij velen in je omgeving normaal is?
Dan is op zich de aanduiding superstimuleerbaar veel meer acceptabel en hoopgevend voor je professionele en persoonlijke ontwikkeling.
Er ontstaat opeens ruimte om te beseffen dat zo’n hoedanigheid kennelijk lichamelijke bouwstenen aandraagt voor allerlei soorten talent; iets wat je dus eerder zou moeten koesteren dan onderdrukken.

Zoveel toepassingen van die bouwstenen

musical talentWat kan een sterke, complexe en langdurige doorwerking van een bepaalde prikkel met zich meebrengen?
Een kok die heel veel verschillende smaaknuances kan onderscheiden en onthouden, heeft een professionele voorsprong op iemand die dat niet in die mate kan.
Dat geldt vergelijkbaar voor het gehoor bij een musicus, of het visuele vermogen bij een kunstenaar of architect, of de motorische aansturing bij een sporter, enzovoort.

En wat te denken van iemand die bij het waarnemen van een probleem onmiddellijk allerlei mogelijke oplossingen bedenkt en analyseert en daar vaak ook de volgende morgen nog in gedachten mee bezig blijkt te zijn. Terwijl dat probleem soms door zijn/haar omgeving nog helemaal niet was opgemerkt. Klinkt dat ergens bekend?

Waar wil ik naar toe?

Dankzij het onderzoek aan hersenscans van de laatste jaren stapelt volgens mij het bewijs zich op hoezeer ‘bijzonder talent’ en ‘bijzondere begaafdheid’ een zelfde neurologische ‘ongewoonheid’ als oorzaak hebben, die ik gemakshalve met superstimuleerbaarheid aanduid.
Mensen met die hoedanigheid ontwikkelen doorgaans een bijzondere vaardigheid in één of meer domeinen. Dat kan van alles zijn: wetenschap, alle soorten vakmanschap, sport of de kunsten.
Vaak strekt die superstimuleerbaarheid zich ook uit tot het domein van de gewaarwording en hantering van eigen emoties. Maar ook daarin zijn er oneindig veel variaties in aard en mate. Bij sommige variaties treedt relatief gemakkelijk emotionele instabiliteit op. Dat kan inderdaad tot bezoek aan een psycholoog of psychiater leiden.

Intensiteit accepteren lucht op

Dabrowski jongZoals al in een vorig blog (Intens hoort erbij) beschreven, is intensiteit voor veel Xi-ers een wat problematische eigenschap, zowel in het ‘te veel’ als in het ‘te emotioneel’. Ik verwees in dat blog al naar de relatie met Dabrowski (zie hiernaast) en extra ontvankelijkheid.
Bij het werken aan dit blog is mij (eindelijk) opgevallen dat ik zelf destijds de webpagina over ‘extra ontvankelijkheid’ eigenlijk ook nogal defensief geschreven had, samenhangend met mijn eigen remmingen van die tijd.
Het gaf mij veel voldoening om die webpagina aan te passen en ik nodig je graag uit hem opnieuw te gaan lezen voor je eigen herkenning.

Juist passend!

Want je doet jezelf geen plezier door bij voorbaat je extra als te veel te (laten) etiketteren. Stel je liever voor dat je die kwaliteit in een geheel juiste dosering hebt ontvangen om helemaal uit de verf te kunnen komen.
Ik vraag me de laatste tijd zelfs af, in hoeverre het afknijpen van je intensiteit vanwege je zorgen over het ‘te veel’, juist tot persoonlijke blokkades en een ‘teveel’ op de verkeerde plaatsen leidt. Metaforisch omschreven: Vernauw de bedding van een snel stromende rivier en voor je het weet heb je een stuwmeer met overstromingen stroomopwaarts, en watertekort stroomafwaarts. Een extra reden om terughoudend te zijn met jezelf te definiëren als ‘over-‘.

Het superstimuleerbare gezin

Stamboom schilderij

Mariska Mallee, Stamboom

Omdat schoolse hoogbegaafdheid met hoge rapportcijfers maatschappelijk gezien hoger staat aangeschreven dan de resultaten van andere vormen van ongewoon talent, kan er in sommige gezinnen een tweedeling ontstaan tussen ‘het hoogbegaafde kind’ en de broertjes, zusjes, en ouders. Ik vind dat om twee redenen treurig:

  • Het isoleert het kind (ook thuis).
  • Het ontkent of miskent vele vergelijkbare kwaliteiten bij die rest van het gezin.

 

Anders gezegd, het lijkt mij alleszins aannemelijk dat ook superstimuleerbaarheid in zeer hoge mate erfelijk is. Alleen blijkt het domein van toepassing binnen een gezin (kinderen èn ouders) behoorlijk te kunnen variëren. Op zoek gaan naar ieders domein van ongewone intensiteit, dat op waarde schatten en daarin verdere ontplooiing stimuleren, biedt een evenwichtiger persoonlijke ontwikkeling voor alle partijen.
Laat je liever verrassen – binnen je familie, maar ook daarbuiten – door overeenkomsten qua mate van intensiteit, dan elkaar uit te sluiten op basis van verschillen in een bepaald soort intelligentie.

Naar boven

Reacties zijn gesloten.