Was iedereen maar (niet zo) empathisch!

De afgelopen jaren ben ik steeds meer gefascineerd geraakt door de effecten van empathisch vermogen bij de interactie tussen mensen, maar ook bij het vermogen tot focus op een bepaald doel. Bij het schrijven van Verleid jezelf tot excellentie was ik me het belang van dit onderwerp nog niet bewust, in Enjoying the Gift of Being Uncommon heb ik het als facet van de Xidentiteit benoemd. Op deze website doe ik dat op deze pagina.

Wat is empathie en wie heeft het?

Empathie is letterlijk het vermogen tot invoelen van een ander. Dat levert informatie over die ander op, bijvoorbeeld over diens gemoedstoestand of een cognitief standpunt. De één doet het door goed te kijken, bijvoorbeeld naar non-verbaal gedrag, de ander hoort het in iemands stem, een derde verplaatst zich ‘in de schoenen van de ander’, met bijbehorende perceptie.
Na dat invoelen van de ander heb je de keuze om de informatie te negeren of om op enige wijze naar de ander te reageren.
Maar stel dat je dergelijke informatie nauwelijks of helemaal niet binnen krijgt.

In het spraakgebruik is men geneigd het over wel/geen empathisch vermogen te hebben, maar in werkelijkheid is er sprake van een schaal van bijna geen tot heel veel. En dat maakt dus nogal uit, net zoals de mate van Xi als een versterkingsfactor allerlei Xi-karakteristieken van een beetje, tot buitengewoon bepalend voor het gedrag maakt.

Empathie en Taakgerichtheid

Iemand met veel empathisch vermogen krijgt voortdurend allerlei informatie over zijn/haar omgeving binnen en moet besluiten wat daar mee te doen. Dat kost in ieder geval aandacht. Maar bij bepaalde soorten samenwerking of in relatief politieke omgevingen kan het heel handig zijn om die informatie te hebben.

Iemand met weinig empathisch vermogen wordt weinig afgeleid door de gemoedstoestand van belendende wezens en kan zich goed focussen op waar hij/zij mee bezig is. Dat kan handig zijn bij controversiële keuzes en bij activiteiten die een niet aflatende focus op het eigen handelen behoeven. Ik noem die hoedanigheid taakgerichtheid, als tegenhanger van de mensgerichtheid van iemand met veel empathisch vermogen.
N.B. Ook een mensgericht persoon kan zich met grote gedrevenheid op een taak richten. Maar voor een taakgericht persoon is de taak belangrijker dan de mensen met/voor wie deze wordt uitgevoerd, terwijl dat bij de mensgerichte (uiteindelijk) andersom is.

Wat mij betreft zijn beide smaken goed en vullen ze elkaar aan, net zoals bijvoorbeeld denkers en doeners elkaar aanvullen. Maar het is goed om te weten hoe verschillend ze zijn en wat je eigen positie in relatie tot een ander is. Zie de titel van dit blog.

Teleurstelling en onbegrip te vermijden?

Relatief empathische personen kunnen teleurgesteld raken over hoezeer anderen nooit zoveel rekening met hen houden als zij dat met die anderen doen. Maar die anderen weten feitelijk niet dat ze signalen van de empathische gemist hebben en vinden de verwijten gezeur.

Relatief taakgerichte personen kunnen geïrriteerd raken van het gebrek aan initiatief of doortastendheid in hun omgeving, zeker als het werk eronder lijdt. Dat de ander voor een actie eerst wil afstemmen en daar allerlei non-verbale signalen over uitzendt, komt niet over of wordt als niet ter zake afgedaan.

Er is nog veel meer te vertellen over de wonderlijke dynamiek tussen taakgerichten en empathischen, bijvoorbeeld op het werk, tussen partners en in de relatie met hun kinderen.
In mijn middagpresentaties over empathie en taakgerichtheid (eerstvolgende op vrijdag 23 mei) ga ik daar nader op in, en biedt de deelnemers de gelegenheid via een vragenlijst hun eigen positie in het krachtenveld te bepalen.

Maar in dit blog wil ik nu ingaan op de invloed van een taakgericht perspectief op de diverse opvattingen over ongewone intelligentie, en de rol van de wetenschap daarin.

Zijn wetenschappers empathisch?

Objectiviteit, herhaalbaarheid van experimenten en de kracht van het kwantitatieve bewijs zijn hoekstenen van de wetenschap.
Subjectieve realiteiten passen daar slecht of helemaal niet in, terwijl er uitgebreid bewijs is voor de invloed van onze mentale processen op ons gedrag.
Zonder in stereotypen te hoeven vervallen, is het goed vol te houden dat wetenschappers, statistisch gezien, gemiddeld tot laag scoren op empathisch vermogen. Verder scoren, wederom statistisch gezien, mannen lager dan vrouwen. Daarmee is dus niets gezegd over een specifiek individu m/v.

Uit het bovenstaande volgt dat mannelijke wetenschappers gemiddeld een ongunstige uitgangspositie hebben om iets van het belang of de invloed van empathisch vermogen te vinden: Ze weten vanuit eigen ervaring niet echt wat het is, en weten dus vaak ook niet dat ze het niet of nauwelijks hebben.
Hoe echt bestaat het dan, of kan er neiging ontstaan om het te onderzoeken? Het is lastig om iets te modelleren als je niet weet wat het is of hoe het werkt. De keuzen binnen een model zijn mijns inziens niet los te zien van de overtuigingen van de modelbouwer, ook al wordt er via een verwijzing naar wetenschappelijke objectiviteit iets anders gesuggereerd.

De kracht van een empathisch perspectief

In mijn beleving wordt het onderwerp ‘mensen met een ongewoon sterke intelligentie’ al decennia nogal taakgericht aangelopen.
Mede gedreven door maatschappelijke opvattingen (en subsidies) als ‘Het is je vaderlandse plicht om je met je bijzondere talenten nuttig te maken’ is veel wetenschappelijk onderzoek rond hoogbegaafdheid vooral bezig geweest met het meten van resultaten. Bij het uitblijven daarvan was de conclusie dat er geen sprake is van dat unieke wenselijke label: “Doe dus maar normaal.”

In mijn adviespraktijk is mij duidelijk geworden hoezeer Xi-ers ook in slecht meetbare kwaliteiten kwalitatief en kwantitatief ongewoon sterk kunnen zijn, wat bij henzelf en hun omgeving soms tot verwarring of gebrek aan waardering leidt. Het is dan verhelderend om te ontdekken dat deze kwaliteiten ook een facet van hun Xi zijn, en waarom.

Door een te enge definitie richting meetbare cognitieve prestaties zijn ze op het verkeerde been gezet over de ongewoonheid van hun kwaliteiten en de waarde daarvan voor henzelf en hun omgeving. Tegelijk waren ze zich pijnlijk bewust van andersoortige verwachtingen over hun kennelijke talenten.
Terwijl bijvoorbeeld weten dat je ongewoon sterk empathisch bent, je kan laten kiezen voor rollen of werk waarbij dat een uitgesproken voordeel is, met bijbehorende trots en voldoening over het unieke resultaat.

Naar boven

Reacties zijn gesloten.